VOETBAL 58 — Leer en Speel

De spelregels van voetbal, in de volgorde van een wedstrijd

Voetbal speel je elf tegen elf, met in elk team een doelverdediger, op een veld van in Nederland 100 tot 105 bij 64 tot 69 meter. Een wedstrijd duurt twee helften van 45 minuten plus de tijd die verloren ging. Een doelpunt telt als de bal geheel over de doellijn is, tussen de palen en onder de lat, en het scorende team onderweg geen overtreding maakte. Eén scheidsrechter beslist, met twee clubgrensrechters die hem helpen. De drie dingen waar langs de lijn het meest over wordt geroepen, buitenspel, hands en de terugspeelbal, hebben elk een eigen stuk hieronder. Alles staat in de volgorde waarin je het tijdens een wedstrijd tegenkomt.

Het veld, de bal en de spelers

Dit hoofdstuk legt vast waarop en met wie je speelt: het veld, de bal, de spelers, de wissels en de uitrusting.

Het veld en de bal

Het speelveld is een rechthoek met zijlijnen van 100 tot 105 meter en doellijnen van 64 tot 69 meter, met de middenlijn en de middencirkel van 9,15 meter.

Voor elk doel liggen twee rechthoeken: het doelgebied van 5,50 meter, waar de doelschop wordt genomen, en het strafschopgebied van 16,50 meter — de zestien — waarbinnen de doelverdediger de bal met zijn handen mag spelen. De strafschopstip ligt op 11 meter van het midden van de doellijn, met de cirkelboog op 9,15 meter daarvandaan.

Bovenaanzicht van een voetbalveld met de buitenmaten erbij: de zijlijn van 100 tot 105 meter en de doellijn van 64 tot 69 meter, de middenlijn met de middenstip en de middencirkel van 9,15 meter, aan beide kanten het doelgebied en het strafschopgebied met de cirkelboog, de vier hoekschopgebieden als kwartcirkel van 1 meter met hoekvlaggenstok, en langs een zijlijn de instructiezone bij de bank
Het hele veld met de maten voor Nederland.

Het doel is 7,32 meter breed en 2,44 meter hoog, en moet verankerd staan. In elke hoek staat een kwartcirkel van 1 meter met een hoekvlaggenstok.

De bal heeft een omtrek van 68 tot 70 centimeter en weegt 410 tot 450 gram. Barst hij tijdens het spel, dan volgt een scheidsrechtersbal.

De spelers, de wissels en de uitrusting

Een team heeft niet meer dan elf spelers in het veld, met een doelverdediger. Een wedstrijd mag beginnen en doorgaan met minstens zeven spelers. Een speler die rood krijgt, wordt niet vervangen.

Hoeveel wisselspelers een team mag gebruiken, staat in het competitiereglement, met vijf als bovengrens in officiële competities. Bij een wissel verlaat de uitgaande speler het veld bij het dichtstbijzijnde punt van de lijn, waarna de invaller bij de middenlijn instapt tijdens een onderbreking. Van plaats wisselen met de doelverdediger mag alleen tijdens een onderbreking en nadat de scheidsrechter het weet.

De wisselprocedure op een veld van boven: de speler die eruit gaat loopt binnen tien seconden naar het dichtstbijzijnde punt van de zijlijn terwijl de scheidsrechter de laatste vijf seconden aftelt met opgestoken hand, en de wisselspeler wacht buiten het veld bij de middenlijn. Eronder de vijf stappen van elke wissel en een rood kader met wat er gebeurt als de speler de tien seconden niet haalt
De wissel op het veld: eraf bij het dichtstbijzijnde punt van de lijn.

De uitrusting bestaat uit vijf verplichte onderdelen: een shirt met mouwen, een korte broek, kousen, scheenbeschermers die helemaal onder de kousen zitten, en schoeisel. Gevaarlijke accessoires mogen niet, en op de kleding staan geen politieke, religieuze of persoonlijke leuzen. De aanvoerder draagt een band, maar heeft volgens de spelregels geen enkele extra bevoegdheid.

De scheidsrechter en de clubgrensrechters

Elke wedstrijd staat onder leiding van één scheidsrechter. Zijn beslissingen over het spel zijn bindend, ook de vraag of er is gescoord en wat de uitslag is. Hij mag op een beslissing terugkomen zolang het spel niet is hervat; daarna staat ze, en kan alleen nog een kaart volgen als een andere official de overtreding op tijd doorgaf.

Zijn bevoegdheid om kaarten te geven loopt van de controle vooraf tot na afloop, de strafschoppenserie inbegrepen.

Rij tekeningen van de signalen van de scheidsrechter met hun betekenis eronder: directe vrije schop met de arm horizontaal in de speelrichting, indirecte vrije schop met de arm recht omhoog, voordeel met beide armen naar voren, strafschop met de arm naar de stip, hoekschop en doelschop met de arm in de juiste richting, en de gele en de rode kaart omhoog; daaronder de vlagsignalen van de assistent voor inworp, hoekschop, doelschop, wissel en buitenspel
De signalen van de scheidsrechter: arm horizontaal is een directe vrije schop, arm omhoog een indirecte.

Bij een clubwedstrijd lopen twee clubgrensrechters (assistent-scheidsrechters) langs de zijlijn. Zij geven aan wanneer de bal uit is en wie de hervatting krijgt: de assistent ondersteunt, de scheidsrechter beslist. Vlagt de grensrechter en fluit de scheidsrechter niet, dan is er geen buitenspel.

Nieuw dit seizoen: is een veldspeler op het veld behandeld, dan moet hij eraf en blijft hij een minuut buiten het veld na de hervatting, met uitzonderingen voor de doelverdediger en een ernstige blessure.

De tijd, de aftrap en het doelpunt

Dit hoofdstuk volgt de wedstrijd zelf: hoe de tijd loopt, hoe hij begint, en wanneer er is gescoord.

De tijd, de toss en de aftrap

Een wedstrijd bestaat uit twee even lange helften van 45 minuten, met een rust van hoogstens 15 minuten. In elke helft telt de scheidsrechter de verloren tijd bij: wissels, blessures, kaarten, tijd rekken, het vieren van een doelpunt.

Voor de wedstrijd gooit de scheidsrechter een munt op; wie wint kiest het doel of de aftrap. Bij de aftrap staat iedereen op de eigen helft behalve de nemer, blijven de tegenstanders buiten de middencirkel, en is de bal in het spel zodra hij is getrapt en duidelijk beweegt. Gaat de bal rechtstreeks in het eigen doel, dan krijgt de tegenpartij een hoekschop.

Twee tekeningen naast elkaar. Links de aftrap: de bal op de middenstip, alle spelers van beide teams op de eigen helft, de tegenstanders buiten de middencirkel en alleen de nemer met een voet over de middenlijn. Rechts de scheidsrechtersbal: de scheidsrechter laat de bal vallen voor een speler van het team dat balbezit zou hebben gekregen, alle andere spelers op minstens vier meter afstand, en een pijl naar de grond met het bijschrift dat de bal pas in het spel is als hij de grond raakt
Links de aftrap met de tegenstanders buiten de cirkel; rechts de scheidsrechtersbal, voor één speler, met de anderen op vier meter.

De scheidsrechtersbal is de hervatting als de scheidsrechter het spel onderbrak zonder dat een andere hervatting geldt: lag de bal in een strafschopgebied, dan valt hij voor de doelverdediger van dat team, anders voor een speler die hem zou hebben gekregen.

De bal in en uit het spel, en het doelpunt

De bal is uit het spel als hij geheel over de doellijn of de zijlijn is. Ligt er nog een stukje bal boven de lijn, of komt hij terug van een doelpaal, de lat of een hoekvlaggenstok, dan blijft hij in het spel. Raakt de bal de scheidsrechter en begint een team daardoor een veelbelovende aanval, gaat de bal rechtstreeks in het doel, of wisselt het balbezit, dan volgt een scheidsrechtersbal.

Een doelpunt is gemaakt als de bal geheel over de doellijn is gegaan, tussen de doelpalen en onder de doellat, en het scorende team onderweg geen overtreding heeft gemaakt. Gooit een doelverdediger de bal met zijn handen rechtstreeks in het doel van de tegenpartij, dan is dat geen doelpunt maar een doelschop.

Drie panelen over het doelpunt. Van voren: een doel met drie ballen, een erin met een vinkje, een boven de lat en een naast de paal met een kruisje. Van boven, sterk vergroot: de doellijn als witte band met een rode stippellijn aan de buitenkant en de bal in drie standen, waarvan alleen de derde er geheel overheen is. Van opzij: dezelfde drie standen op de doellijn met de uitkomst geen doelpunt, geen doelpunt, doelpunt
Het doel van voren, van boven en van opzij: alleen de bal die met zijn volle omvang over de doellijn is, is een doelpunt.

Het vaakst besproken langs de lijn

Buitenspel, hands en de terugspeelbal

Deze drie leveren langs de lijn de meeste discussie op, dus staan ze hier bij elkaar.

Buitenspel

Buitenspel staan is geen overtreding; de hele regel draait om dat onderscheid. Er zijn twee dingen: de buitenspelpositie, een plek op het veld op een bepaald moment, en strafbaar buitenspel, wat volgt als je vanuit die positie actief meedoet. Pas dan fluit de scheidsrechter.

Je staat in buitenspelpositie als twee dingen allebei gelden: enig deel van je hoofd, lichaam of voeten is op de helft van de tegenpartij, en je bent dichter bij de doellijn van de tegenpartij dan de bal én dan de voorlaatste tegenstander. Handen en armen tellen niet mee.

De rechterhelft van het veld van boven: een stippellijn door de voorlaatste verdediger, de bal bij een aanvaller op het middenveld, en een aanvaller voorbij die lijn en voorbij de bal met een kruisje en het label buitenspelpositie
Buitenspelpositie: voorbij de bal én voorbij de voorlaatste tegenstander.

Je beoordeelt de positie op het moment dat een medespeler de bal speelt of raakt: sta je dan goed en sprint je daarna langs de verdediging, dan is er niets aan de hand. Vanuit buitenspelpositie word je alleen bestraft als je actief betrokken raakt: je speelt of raakt de bal, je beïnvloedt een tegenstander, of je trekt voordeel uit een bal die terugkomt van de paal, de lat of een official.

Speelt een tegenstander de bal bewust naar je, dan heft dat het buitenspel op; een bewuste redding niet. Krijg je de bal rechtstreeks uit een doelschop, inworp of hoekschop, dan is er geen buitenspel. De straf is een indirecte vrije schop op de plaats waar je betrokken raakte.

Hands

Niet elk contact tussen bal en arm is hands; de arm begint bij de onderkant van de oksel. Hands is het in drie gevallen: de speler raakt de bal opzettelijk met hand of arm; de bal raakt een arm die het lichaam op onnatuurlijke wijze groter maakt; of de speler scoort vanaf zijn hand of arm — dat laatste telt altijd, ook onopzettelijk.

Een speler van voren getekend met een gestippelde horizontale lijn die van de onderkant van de oksel dwars door beide armen loopt. Boven de lijn is de schouder lichaam, onder de lijn is het hand en arm. Ernaast vier kleine panelen: een speler met de arm langs het lichaam en de bal ertegen met het label geen hands, een speler die springt met de armen wijd boven de schouder en de bal tegen zijn arm met het label hands, een speler die de bal tegen zijn schouder krijgt met het label geen hands, en een speler die de bal met de hand het doel in tikt met het label altijd hands
Waar de arm begint: arm langs het lichaam is geen hands, armen wijd boven de schouder wel, en scoren met de hand is altijd hands.

Een arm langs het lichaam die onverwacht de bal raakt, is geen overtreding, en armen die bij een sprong voor balans worden gebruikt ook niet. Buiten zijn eigen strafschopgebied gelden voor de doelverdediger dezelfde handregels als voor iedereen; in het eigen strafschopgebied is het een strafschop.

De keeper: de terugspeelbal en de acht seconden

In zijn eigen strafschopgebied mag de doelverdediger de bal met de handen spelen, met twee grenzen die allebei een indirecte vrije schop opleveren: hij mag de bal niet opnieuw met hand of arm pakken nadat hij hem in het spel bracht, voordat een andere speler hem heeft geraakt, en niet nadat een medespeler hem doelbewust met de voet of rechtstreeks uit een inworp naar hem speelde. Een kopbal terug, een bal van de borst of de knie, en een bal die per ongeluk zijn kant op komt, mag hij wel oppakken.

Beslisschema over de terugspeelbal met drie vragen onder elkaar: speelde een medespeler de bal doelbewust met de voet naar de doelverdediger of kreeg hij hem rechtstreeks uit een inworp van een medespeler, met een nee-tak naar doorspelen voor een bal van het hoofd, de borst, de knie, een afketser of een tegenstander; raakte de doelverdediger de bal daarna met hand of arm, met een nee-tak naar doorspelen als hij hem met de voet of het hoofd speelt; en trapte hij de bal duidelijk weg of probeerde hij dat om hem in het spel te brengen, met een ja-tak naar oppakken mag en een nee-tak naar een indirecte vrije schop zonder kaart; onderaan een apart kader over de doelbewuste truc
Doelbewust met de voet getrapt of rechtstreeks ingeworpen, daarna met hand of arm geraakt: dan een indirecte vrije schop.

Houdt hij de bal langer dan acht seconden met hand of arm vast, dan krijgt de tegenpartij een hoekschop, geen vrije schop zoals vroeger. Zolang de keeper de bal met hand of arm in bezit heeft, mag niemand hem aanvallen.

Overtredingen en kaarten

Dit hoofdstuk zet de overtredingen, de indirecte vrije schop en de kaarten bij elkaar: wat erna volgt, hangt af van hoe de overtreding werd gemaakt.

Overtredingen: onvoorzichtig, onbesuisd of met buitensporige inzet

Er zijn twee soorten vrije schoppen. Uit een directe kun je rechtstreeks scoren; uit een indirecte pas nadat een tweede speler de bal heeft geraakt. De schop gaat altijd naar de tegenpartij van wie de overtreding maakte.

Zeven dingen tegen een tegenstander leveren een directe vrije schop op als je ze onvoorzichtig, onbesuisd of met buitensporige inzet doet: aanvallen, naar hem springen, trappen, duwen, slaan, ten val brengen of een duel aangaan, en laten struikelen. Daarnaast altijd een directe vrije schop: hands, vasthouden, blokkeren met contact, bijten of spugen, en een voorwerp gooien.

Hoe de speler het deedWat het betekentWat er volgt
onvoorzichtigondoordacht, onbezonnen; hij wilde de bal maar deed het slordigdirecte vrije schop, geen kaart
onbesuisdzonder het gevaar of de gevolgen voor de tegenstander mee te wegendirecte vrije schop en geel
met buitensporige inzetveel meer kracht dan nodig, de veiligheid van de tegenstander in gevaardirecte vrije schop en rood

De zwaarte van de blessure bepaalt niets; de manier waarop de speler de actie inging bepaalt alles. Maakt een verdediger in zijn eigen strafschopgebied een overtreding die anders een directe vrije schop zou opleveren, dan is het een strafschop.

De indirecte vrije schop: gevaarlijk spel en belemmeren

De scheidsrechter steekt bij een indirecte vrije schop zijn arm omhoog tot een tweede speler de bal raakt; gaat de bal rechtstreeks in het doel, dan volgt een doelschop, geen doelpunt. Je krijgt een indirecte vrije schop tegen voor gevaarlijk spelen, belemmeren zonder contact, commentaar en schelden, het hinderen van de doelverdediger, en elke overtreding waarvoor de scheidsrechter een kaart geeft.

Gevaarlijk spel is een actie waarbij je probeert de bal te spelen en iemand geblesseerd kan raken, zonder contact; zodra je de tegenstander raakt, is het een directe vrije schop. Belemmeren is voor je tegenstander gaan lopen terwijl de bal niet binnen speelbereik is; is de bal wel binnen speelbereik, dan scherm je hem af en dat mag.

Geel en rood

De gele kaart is een waarschuwing, de rode een veldverwijdering; een tweede gele is rood. Wie na de aftrap van het veld wordt gezonden, wordt niet vervangen.

Geel krijg je voor het vertragen van een hervatting, protesteren, het veld zonder toestemming betreden of verlaten, en onsportief gedrag zoals de schwalbe, het onderbreken van een veelbelovende aanval, hands om te proberen te scoren, en het shirt uittrekken bij een doelpunt.

Rood krijg je voor ernstig gemeen spel, een gewelddadige handeling, bijten of spugen, het ontnemen van een doelpunt of een duidelijke scoringskans, grove of beledigende taal en gebaren, en de tweede gele kaart.

Overzicht in drie delen onder de titel Niets, geel of rood. Deel 1, de manier waarop: onvoorzichtig is een vrije schop zonder kaart, onbesuisd een vrije schop en geel, met buitensporige inzet een vrije schop en rood. Deel 2, wat de overtreding kapotmaakt: een veelbelovende aanval is geel, een duidelijke scoringskans is rood behalve in de gevallen eronder. Deel 3, een tabel van zes rijen waarin het strafschopgebied meetelt
Niets, geel of rood: de manier waarop en wat de overtreding kapotmaakt.
Wat er gebeurtHervattingKaart
scoringskans ontnemen buiten het strafschopgebiedvrije schoprood
scoringskans ontnemen in het eigen strafschopgebied, in een poging de bal te spelen of door onopzettelijk handsstrafschopgeel
scoringskans ontnemen in het eigen strafschopgebied door vasthouden, trekken of duwenstrafschoprood
doelpunt of scoringskans ontnemen door opzettelijk hands, waar dan ookvrije schop of strafschoprood
veelbelovende aanval onderbrekenvrije schop of strafschopgeel

Laat de scheidsrechter doorspelen omdat het team er beter van wordt, dan komt de kaart bij de volgende onderbreking; bij een duidelijke scoringskans wordt dat geel in plaats van rood, en wordt er dankzij het voordeel gescoord, dan volgt sinds dit seizoen geen kaart.

De vrije schop, de strafschop en de hervattingen

Dit hoofdstuk zet de vrije schop, de strafschop en de andere hervattingen — de inworp, de doelschop en de hoekschop — bij elkaar.

De vrije schop en de muur

Een vrije schop neem je vanaf de plaats waar de overtreding werd begaan. De bal ligt stil en is in het spel zodra hij is getrapt en duidelijk beweegt, ook binnen het eigen strafschopgebied. De nemer mag de bal niet opnieuw raken voordat een andere speler hem heeft geraakt.

Tot de bal in het spel is, blijven alle tegenstanders op ten minste 9,15 meter van de bal, behalve als ze op hun eigen doellijn tussen de palen staan. Vormen drie of meer verdedigers een muur, dan moeten alle aanvallers op ten minste 1 meter van die muur blijven; doen ze dat niet, dan krijgt de verdediging een indirecte vrije schop. Je hoeft niet te wachten tot de muur staat.

Bovenaanzicht van een vrije schop vlak buiten het strafschopgebied: de bal op de grond, op negen komma vijftien meter een muur van vier verdedigers naast elkaar, een gestippelde lijn op een meter voor de muur waarachter twee aanvallers moeten blijven, twee verdedigers op de eigen doellijn tussen de palen die dichterbij mogen staan, en de nemer die aanloopt
De muur op 9,15 meter, met de aanvallers op een meter van de muur.

Een vrije schop rechtstreeks in het eigen doel is een hoekschop voor de tegenpartij. Een indirecte vrije schop rechtstreeks in het doel van de tegenpartij is een doelschop.

De strafschop

Er is maar één vraag: zou deze overtreding buiten het strafschopgebied een directe vrije schop opleveren? Zo ja, en een verdediger maakte hem in zijn eigen strafschopgebied, dan is het een strafschop. Hoe hard het ging, bepaalt alleen de kaart; gevaarlijk spel zonder contact blijft ook hier een indirecte vrije schop.

De bal ligt op de strafschopstip; de doelverdediger blijft tot de trap op de doellijn, met zijn gezicht naar de nemer. Alle overige spelers staan buiten het strafschopgebied, achter de stip en op minstens 9,15 meter van de bal.

Bovenaanzicht van het strafschopgebied met de bal op de strafschopstip, de doelverdediger op de doellijn tussen de palen, de cirkelboog buiten het strafschopgebied en alle overige spelers buiten het gebied, achter de stip en buiten de boog
De opstelling: de bal op de stip, de doelverdediger op de lijn, iedereen buiten het gebied en de boog.

Komt de doelverdediger te vroeg van zijn lijn en houdt hij de bal tegen, dan wordt de strafschop overgenomen; gaat de bal erin, dan is het gewoon een doelpunt. Raakt de nemer de bal per ongeluk twee keer, dan wordt een gescoorde strafschop sinds dit seizoen overgenomen en een gemiste een indirecte vrije schop.

De inworp, de doelschop en de hoekschop

Gaat de bal over een zijlijn, dan volgt een inworp voor het team dat hem niet het laatst raakte. Gaat hij over een doellijn zonder doelpunt, dan is het een doelschop bij een aanvaller en een hoekschop bij een verdediger als laatste raker.

Drie tekeningen naast elkaar van hetzelfde veld: links een inworp bij de zijlijn met de werper achter de lijn en de tegenstanders op twee meter, midden een doelschop met de bal in het doelgebied en alle tegenstanders buiten het strafschopgebied, rechts een hoekschop met de bal in de kwartcirkel en de tegenstanders op 9,15 meter
Links de inworp, in het midden de doelschop, rechts de hoekschop, elk met de afstand voor de tegenstanders.
InworpDoelschopHoekschop
Waarwaar de bal de zijlijn passeerdeergens in het doelgebiedin de kwartcirkel aan die kant
Afstand tegenstanderstwee meterbuiten het strafschopgebied9,15 meter van het hoekschopgebied
In het spelzodra de bal het veld in isgetrapt en duidelijk in beweginggetrapt en duidelijk in beweging
Rechtstreeks scorennooitalleen in het doel van de tegenpartijalleen in het doel van de tegenpartij

De inworp is de enige hervatting met voorgeschreven techniek: gezicht naar het veld, beide voeten op of achter de zijlijn, de bal met beide handen over je hoofd gegooid; gooi je fout, dan gaat hij naar de tegenpartij. Nieuw dit seizoen: rekt een team de inworp of de doelschop, dan telt de scheidsrechter vijf seconden af, met de bal of een hoekschop voor de tegenpartij als gevolg.

Praten met de scheidsrechter

Gewoon overleg tussen een speler en de scheidsrechter mag; het gaat mis bij een groep die na een beslissing op hem af komt. De KNVB werkt daarom met de richtlijnen Alleen de aanvoerder: bij een belangrijke beslissing komt er per team één speler naar hem toe, in de regel de aanvoerder, en die doet dat respectvol. Wie meeloopt of protesteert, krijgt geel. Per 1 juli 2027 worden deze richtlijnen verplicht.

De spelregels beginnen met de geest van het spel: de beste wedstrijden zijn de wedstrijden waarin de scheidsrechter nauwelijks nodig is. In de praktijk komt het neer op drie dingen: accepteer de beslissing, stel je vraag één keer, rustig en kort, en praat na in de kantine.

Het einde van de wedstrijd en het spelregelbewijs

Dit hoofdstuk gaat over wat er gebeurt als het aan het einde gelijk staat, en over het bewijs dat je nodig hebt om mee te mogen spelen.

Het einde: gelijkspel, verlenging en de strafschoppenserie

Het team dat het vaakst scoorde, wint; anders is het gelijkspel, en in de competitie is dat het einde. Moet er toch een winnaar komen, dan bepaalt het competitiereglement hoe: de regeling van de uitdoelpunten, een verlenging van twee periodes van hoogstens 15 minuten, een strafschoppenserie, of een combinatie.

Een strafschoppenserie is geen onderdeel van de wedstrijd: een speler die rood kreeg, doet niet mee, en gele kaarten uit de wedstrijd gaan niet mee de serie in. Alleen de spelers die aan het einde op het veld stonden, komen in aanmerking. Beide teams nemen vijf strafschoppen, om en om, en de serie stopt zodra een team niet meer kan worden ingehaald; daarna gaat het door tot er na een gelijk aantal schoppen een verschil is. Elke strafschop neemt een andere speler, tot iedereen is geweest.

Het spelregelbewijs

Elk spelend lid in het veldvoetbal haalt het spelregelbewijs in het kalenderjaar waarin het zeventien wordt. Zonder bewijs ben je niet speelgerechtigd. Halen doe je op spelregelbewijs.nl: eerst oefentoetsen, dan vijf levels van tien vragen, en dan de eindtoets van 25 vragen, waarvan je er 20 goed moet hebben. Herkansen mag onbeperkt, met maximaal drie pogingen per dag.

VOETBAL 58 bereidt voor; de KNVB neemt de toets af. De cursus geeft je de regels in de volgorde van deze pagina, met een tekening bij elke regel, en onbeperkt proefexamens van 25 vragen uit een pool van 120, op exact de maat van de eindtoets.

Wil je meer dan alleen de regels kennen?

Deze pagina geeft je de regels. De complete online voetbalcursus geeft je de zekerheid: achttien lessen in dezelfde volgorde als een wedstrijd, een tekening bij elke regel, 119 oefenvragen met het nummer van de regel bij elk antwoord, onbeperkt proefexamens van 25 vragen uit een pool van 120 op de maat van de eindtoets van de KNVB, en achttien memokaarten voor naast het veld. Gemiddeld zes uur, in je eigen tempo.

Tien sporten, dezelfde aanpak

Spelregels, techniek en tactiek, voor elke sport op dezelfde manier.

Elke kaart opent de site van die sport

De cursus, vanaf € 14,99 per speler

Bekijk de pakketten