De spelregels van voetbal, in de volgorde van een wedstrijd
Voetbal speel je elf tegen elf, met in elk team een doelverdediger, op een veld van in Nederland 100 tot 105 bij 64 tot 69 meter. Een wedstrijd duurt twee helften van 45 minuten plus de tijd die verloren ging. Een doelpunt telt als de bal geheel over de doellijn is, tussen de palen en onder de lat, en het scorende team onderweg geen overtreding maakte. Eén scheidsrechter beslist, met twee clubgrensrechters die hem helpen. De drie dingen waar langs de lijn het meest over wordt geroepen, buitenspel, hands en de terugspeelbal, hebben elk een eigen stuk hieronder. Alles staat in de volgorde waarin je het tijdens een wedstrijd tegenkomt.
Je hoeft deze pagina niet uit te lezen. Spring naar wat je zoekt:
- Het veld, de bal en de spelers
- De scheidsrechter
- De tijd, de aftrap en het doelpunt
- Buitenspel, hands en de terugspeelbal
- Overtredingen en kaarten
- Vrije schop, strafschop en hervattingen
- Praten met de scheidsrechter
- Het einde en het spelregelbewijs
Verderop houd je deze lijst bij de hand: klik boven in de balk op Spelregels.
Het veld, de bal en de spelers
Dit hoofdstuk legt vast waarop en met wie je speelt: het veld, de bal, de spelers, de wissels en de uitrusting.
Het veld en de bal
Het speelveld is een rechthoek met zijlijnen van 100 tot 105 meter en doellijnen van 64 tot 69 meter, met de middenlijn en de middencirkel van 9,15 meter.
Voor elk doel liggen twee rechthoeken: het doelgebied van 5,50 meter, waar de doelschop wordt genomen, en het strafschopgebied van 16,50 meter — de zestien — waarbinnen de doelverdediger de bal met zijn handen mag spelen. De strafschopstip ligt op 11 meter van het midden van de doellijn, met de cirkelboog op 9,15 meter daarvandaan.

Het doel is 7,32 meter breed en 2,44 meter hoog, en moet verankerd staan. In elke hoek staat een kwartcirkel van 1 meter met een hoekvlaggenstok.
De bal heeft een omtrek van 68 tot 70 centimeter en weegt 410 tot 450 gram. Barst hij tijdens het spel, dan volgt een scheidsrechtersbal.
De spelers, de wissels en de uitrusting
Een team heeft niet meer dan elf spelers in het veld, met een doelverdediger. Een wedstrijd mag beginnen en doorgaan met minstens zeven spelers. Een speler die rood krijgt, wordt niet vervangen.
Hoeveel wisselspelers een team mag gebruiken, staat in het competitiereglement, met vijf als bovengrens in officiële competities. Bij een wissel verlaat de uitgaande speler het veld bij het dichtstbijzijnde punt van de lijn, waarna de invaller bij de middenlijn instapt tijdens een onderbreking. Van plaats wisselen met de doelverdediger mag alleen tijdens een onderbreking en nadat de scheidsrechter het weet.

De uitrusting bestaat uit vijf verplichte onderdelen: een shirt met mouwen, een korte broek, kousen, scheenbeschermers die helemaal onder de kousen zitten, en schoeisel. Gevaarlijke accessoires mogen niet, en op de kleding staan geen politieke, religieuze of persoonlijke leuzen. De aanvoerder draagt een band, maar heeft volgens de spelregels geen enkele extra bevoegdheid.
De scheidsrechter en de clubgrensrechters
Elke wedstrijd staat onder leiding van één scheidsrechter. Zijn beslissingen over het spel zijn bindend, ook de vraag of er is gescoord en wat de uitslag is. Hij mag op een beslissing terugkomen zolang het spel niet is hervat; daarna staat ze, en kan alleen nog een kaart volgen als een andere official de overtreding op tijd doorgaf.
Zijn bevoegdheid om kaarten te geven loopt van de controle vooraf tot na afloop, de strafschoppenserie inbegrepen.

Bij een clubwedstrijd lopen twee clubgrensrechters (assistent-scheidsrechters) langs de zijlijn. Zij geven aan wanneer de bal uit is en wie de hervatting krijgt: de assistent ondersteunt, de scheidsrechter beslist. Vlagt de grensrechter en fluit de scheidsrechter niet, dan is er geen buitenspel.
Nieuw dit seizoen: is een veldspeler op het veld behandeld, dan moet hij eraf en blijft hij een minuut buiten het veld na de hervatting, met uitzonderingen voor de doelverdediger en een ernstige blessure.
De tijd, de aftrap en het doelpunt
Dit hoofdstuk volgt de wedstrijd zelf: hoe de tijd loopt, hoe hij begint, en wanneer er is gescoord.
De tijd, de toss en de aftrap
Een wedstrijd bestaat uit twee even lange helften van 45 minuten, met een rust van hoogstens 15 minuten. In elke helft telt de scheidsrechter de verloren tijd bij: wissels, blessures, kaarten, tijd rekken, het vieren van een doelpunt.
Voor de wedstrijd gooit de scheidsrechter een munt op; wie wint kiest het doel of de aftrap. Bij de aftrap staat iedereen op de eigen helft behalve de nemer, blijven de tegenstanders buiten de middencirkel, en is de bal in het spel zodra hij is getrapt en duidelijk beweegt. Gaat de bal rechtstreeks in het eigen doel, dan krijgt de tegenpartij een hoekschop.

De scheidsrechtersbal is de hervatting als de scheidsrechter het spel onderbrak zonder dat een andere hervatting geldt: lag de bal in een strafschopgebied, dan valt hij voor de doelverdediger van dat team, anders voor een speler die hem zou hebben gekregen.
De bal in en uit het spel, en het doelpunt
De bal is uit het spel als hij geheel over de doellijn of de zijlijn is. Ligt er nog een stukje bal boven de lijn, of komt hij terug van een doelpaal, de lat of een hoekvlaggenstok, dan blijft hij in het spel. Raakt de bal de scheidsrechter en begint een team daardoor een veelbelovende aanval, gaat de bal rechtstreeks in het doel, of wisselt het balbezit, dan volgt een scheidsrechtersbal.
Een doelpunt is gemaakt als de bal geheel over de doellijn is gegaan, tussen de doelpalen en onder de doellat, en het scorende team onderweg geen overtreding heeft gemaakt. Gooit een doelverdediger de bal met zijn handen rechtstreeks in het doel van de tegenpartij, dan is dat geen doelpunt maar een doelschop.

Het vaakst besproken langs de lijn
Buitenspel, hands en de terugspeelbal
Deze drie leveren langs de lijn de meeste discussie op, dus staan ze hier bij elkaar.
Buitenspel
Buitenspel staan is geen overtreding; de hele regel draait om dat onderscheid. Er zijn twee dingen: de buitenspelpositie, een plek op het veld op een bepaald moment, en strafbaar buitenspel, wat volgt als je vanuit die positie actief meedoet. Pas dan fluit de scheidsrechter.
Je staat in buitenspelpositie als twee dingen allebei gelden: enig deel van je hoofd, lichaam of voeten is op de helft van de tegenpartij, en je bent dichter bij de doellijn van de tegenpartij dan de bal én dan de voorlaatste tegenstander. Handen en armen tellen niet mee.

Je beoordeelt de positie op het moment dat een medespeler de bal speelt of raakt: sta je dan goed en sprint je daarna langs de verdediging, dan is er niets aan de hand. Vanuit buitenspelpositie word je alleen bestraft als je actief betrokken raakt: je speelt of raakt de bal, je beïnvloedt een tegenstander, of je trekt voordeel uit een bal die terugkomt van de paal, de lat of een official.
Speelt een tegenstander de bal bewust naar je, dan heft dat het buitenspel op; een bewuste redding niet. Krijg je de bal rechtstreeks uit een doelschop, inworp of hoekschop, dan is er geen buitenspel. De straf is een indirecte vrije schop op de plaats waar je betrokken raakte.
Hands
Niet elk contact tussen bal en arm is hands; de arm begint bij de onderkant van de oksel. Hands is het in drie gevallen: de speler raakt de bal opzettelijk met hand of arm; de bal raakt een arm die het lichaam op onnatuurlijke wijze groter maakt; of de speler scoort vanaf zijn hand of arm — dat laatste telt altijd, ook onopzettelijk.

Een arm langs het lichaam die onverwacht de bal raakt, is geen overtreding, en armen die bij een sprong voor balans worden gebruikt ook niet. Buiten zijn eigen strafschopgebied gelden voor de doelverdediger dezelfde handregels als voor iedereen; in het eigen strafschopgebied is het een strafschop.
De keeper: de terugspeelbal en de acht seconden
In zijn eigen strafschopgebied mag de doelverdediger de bal met de handen spelen, met twee grenzen die allebei een indirecte vrije schop opleveren: hij mag de bal niet opnieuw met hand of arm pakken nadat hij hem in het spel bracht, voordat een andere speler hem heeft geraakt, en niet nadat een medespeler hem doelbewust met de voet of rechtstreeks uit een inworp naar hem speelde. Een kopbal terug, een bal van de borst of de knie, en een bal die per ongeluk zijn kant op komt, mag hij wel oppakken.

Houdt hij de bal langer dan acht seconden met hand of arm vast, dan krijgt de tegenpartij een hoekschop, geen vrije schop zoals vroeger. Zolang de keeper de bal met hand of arm in bezit heeft, mag niemand hem aanvallen.
Overtredingen en kaarten
Dit hoofdstuk zet de overtredingen, de indirecte vrije schop en de kaarten bij elkaar: wat erna volgt, hangt af van hoe de overtreding werd gemaakt.
Overtredingen: onvoorzichtig, onbesuisd of met buitensporige inzet
Er zijn twee soorten vrije schoppen. Uit een directe kun je rechtstreeks scoren; uit een indirecte pas nadat een tweede speler de bal heeft geraakt. De schop gaat altijd naar de tegenpartij van wie de overtreding maakte.
Zeven dingen tegen een tegenstander leveren een directe vrije schop op als je ze onvoorzichtig, onbesuisd of met buitensporige inzet doet: aanvallen, naar hem springen, trappen, duwen, slaan, ten val brengen of een duel aangaan, en laten struikelen. Daarnaast altijd een directe vrije schop: hands, vasthouden, blokkeren met contact, bijten of spugen, en een voorwerp gooien.
| Hoe de speler het deed | Wat het betekent | Wat er volgt |
|---|---|---|
| onvoorzichtig | ondoordacht, onbezonnen; hij wilde de bal maar deed het slordig | directe vrije schop, geen kaart |
| onbesuisd | zonder het gevaar of de gevolgen voor de tegenstander mee te wegen | directe vrije schop en geel |
| met buitensporige inzet | veel meer kracht dan nodig, de veiligheid van de tegenstander in gevaar | directe vrije schop en rood |
De zwaarte van de blessure bepaalt niets; de manier waarop de speler de actie inging bepaalt alles. Maakt een verdediger in zijn eigen strafschopgebied een overtreding die anders een directe vrije schop zou opleveren, dan is het een strafschop.
De indirecte vrije schop: gevaarlijk spel en belemmeren
De scheidsrechter steekt bij een indirecte vrije schop zijn arm omhoog tot een tweede speler de bal raakt; gaat de bal rechtstreeks in het doel, dan volgt een doelschop, geen doelpunt. Je krijgt een indirecte vrije schop tegen voor gevaarlijk spelen, belemmeren zonder contact, commentaar en schelden, het hinderen van de doelverdediger, en elke overtreding waarvoor de scheidsrechter een kaart geeft.
Gevaarlijk spel is een actie waarbij je probeert de bal te spelen en iemand geblesseerd kan raken, zonder contact; zodra je de tegenstander raakt, is het een directe vrije schop. Belemmeren is voor je tegenstander gaan lopen terwijl de bal niet binnen speelbereik is; is de bal wel binnen speelbereik, dan scherm je hem af en dat mag.
Geel en rood
De gele kaart is een waarschuwing, de rode een veldverwijdering; een tweede gele is rood. Wie na de aftrap van het veld wordt gezonden, wordt niet vervangen.
Geel krijg je voor het vertragen van een hervatting, protesteren, het veld zonder toestemming betreden of verlaten, en onsportief gedrag zoals de schwalbe, het onderbreken van een veelbelovende aanval, hands om te proberen te scoren, en het shirt uittrekken bij een doelpunt.
Rood krijg je voor ernstig gemeen spel, een gewelddadige handeling, bijten of spugen, het ontnemen van een doelpunt of een duidelijke scoringskans, grove of beledigende taal en gebaren, en de tweede gele kaart.

| Wat er gebeurt | Hervatting | Kaart |
|---|---|---|
| scoringskans ontnemen buiten het strafschopgebied | vrije schop | rood |
| scoringskans ontnemen in het eigen strafschopgebied, in een poging de bal te spelen of door onopzettelijk hands | strafschop | geel |
| scoringskans ontnemen in het eigen strafschopgebied door vasthouden, trekken of duwen | strafschop | rood |
| doelpunt of scoringskans ontnemen door opzettelijk hands, waar dan ook | vrije schop of strafschop | rood |
| veelbelovende aanval onderbreken | vrije schop of strafschop | geel |
Laat de scheidsrechter doorspelen omdat het team er beter van wordt, dan komt de kaart bij de volgende onderbreking; bij een duidelijke scoringskans wordt dat geel in plaats van rood, en wordt er dankzij het voordeel gescoord, dan volgt sinds dit seizoen geen kaart.
De vrije schop, de strafschop en de hervattingen
Dit hoofdstuk zet de vrije schop, de strafschop en de andere hervattingen — de inworp, de doelschop en de hoekschop — bij elkaar.
De vrije schop en de muur
Een vrije schop neem je vanaf de plaats waar de overtreding werd begaan. De bal ligt stil en is in het spel zodra hij is getrapt en duidelijk beweegt, ook binnen het eigen strafschopgebied. De nemer mag de bal niet opnieuw raken voordat een andere speler hem heeft geraakt.
Tot de bal in het spel is, blijven alle tegenstanders op ten minste 9,15 meter van de bal, behalve als ze op hun eigen doellijn tussen de palen staan. Vormen drie of meer verdedigers een muur, dan moeten alle aanvallers op ten minste 1 meter van die muur blijven; doen ze dat niet, dan krijgt de verdediging een indirecte vrije schop. Je hoeft niet te wachten tot de muur staat.

Een vrije schop rechtstreeks in het eigen doel is een hoekschop voor de tegenpartij. Een indirecte vrije schop rechtstreeks in het doel van de tegenpartij is een doelschop.
De strafschop
Er is maar één vraag: zou deze overtreding buiten het strafschopgebied een directe vrije schop opleveren? Zo ja, en een verdediger maakte hem in zijn eigen strafschopgebied, dan is het een strafschop. Hoe hard het ging, bepaalt alleen de kaart; gevaarlijk spel zonder contact blijft ook hier een indirecte vrije schop.
De bal ligt op de strafschopstip; de doelverdediger blijft tot de trap op de doellijn, met zijn gezicht naar de nemer. Alle overige spelers staan buiten het strafschopgebied, achter de stip en op minstens 9,15 meter van de bal.

Komt de doelverdediger te vroeg van zijn lijn en houdt hij de bal tegen, dan wordt de strafschop overgenomen; gaat de bal erin, dan is het gewoon een doelpunt. Raakt de nemer de bal per ongeluk twee keer, dan wordt een gescoorde strafschop sinds dit seizoen overgenomen en een gemiste een indirecte vrije schop.
De inworp, de doelschop en de hoekschop
Gaat de bal over een zijlijn, dan volgt een inworp voor het team dat hem niet het laatst raakte. Gaat hij over een doellijn zonder doelpunt, dan is het een doelschop bij een aanvaller en een hoekschop bij een verdediger als laatste raker.

| Inworp | Doelschop | Hoekschop | |
|---|---|---|---|
| Waar | waar de bal de zijlijn passeerde | ergens in het doelgebied | in de kwartcirkel aan die kant |
| Afstand tegenstanders | twee meter | buiten het strafschopgebied | 9,15 meter van het hoekschopgebied |
| In het spel | zodra de bal het veld in is | getrapt en duidelijk in beweging | getrapt en duidelijk in beweging |
| Rechtstreeks scoren | nooit | alleen in het doel van de tegenpartij | alleen in het doel van de tegenpartij |
De inworp is de enige hervatting met voorgeschreven techniek: gezicht naar het veld, beide voeten op of achter de zijlijn, de bal met beide handen over je hoofd gegooid; gooi je fout, dan gaat hij naar de tegenpartij. Nieuw dit seizoen: rekt een team de inworp of de doelschop, dan telt de scheidsrechter vijf seconden af, met de bal of een hoekschop voor de tegenpartij als gevolg.
Praten met de scheidsrechter
Gewoon overleg tussen een speler en de scheidsrechter mag; het gaat mis bij een groep die na een beslissing op hem af komt. De KNVB werkt daarom met de richtlijnen Alleen de aanvoerder: bij een belangrijke beslissing komt er per team één speler naar hem toe, in de regel de aanvoerder, en die doet dat respectvol. Wie meeloopt of protesteert, krijgt geel. Per 1 juli 2027 worden deze richtlijnen verplicht.
De spelregels beginnen met de geest van het spel: de beste wedstrijden zijn de wedstrijden waarin de scheidsrechter nauwelijks nodig is. In de praktijk komt het neer op drie dingen: accepteer de beslissing, stel je vraag één keer, rustig en kort, en praat na in de kantine.
Het einde van de wedstrijd en het spelregelbewijs
Dit hoofdstuk gaat over wat er gebeurt als het aan het einde gelijk staat, en over het bewijs dat je nodig hebt om mee te mogen spelen.
Het einde: gelijkspel, verlenging en de strafschoppenserie
Het team dat het vaakst scoorde, wint; anders is het gelijkspel, en in de competitie is dat het einde. Moet er toch een winnaar komen, dan bepaalt het competitiereglement hoe: de regeling van de uitdoelpunten, een verlenging van twee periodes van hoogstens 15 minuten, een strafschoppenserie, of een combinatie.
Een strafschoppenserie is geen onderdeel van de wedstrijd: een speler die rood kreeg, doet niet mee, en gele kaarten uit de wedstrijd gaan niet mee de serie in. Alleen de spelers die aan het einde op het veld stonden, komen in aanmerking. Beide teams nemen vijf strafschoppen, om en om, en de serie stopt zodra een team niet meer kan worden ingehaald; daarna gaat het door tot er na een gelijk aantal schoppen een verschil is. Elke strafschop neemt een andere speler, tot iedereen is geweest.
Het spelregelbewijs
Elk spelend lid in het veldvoetbal haalt het spelregelbewijs in het kalenderjaar waarin het zeventien wordt. Zonder bewijs ben je niet speelgerechtigd. Halen doe je op spelregelbewijs.nl: eerst oefentoetsen, dan vijf levels van tien vragen, en dan de eindtoets van 25 vragen, waarvan je er 20 goed moet hebben. Herkansen mag onbeperkt, met maximaal drie pogingen per dag.
VOETBAL 58 bereidt voor; de KNVB neemt de toets af. De cursus geeft je de regels in de volgorde van deze pagina, met een tekening bij elke regel, en onbeperkt proefexamens van 25 vragen uit een pool van 120, op exact de maat van de eindtoets.