Deze les was er één van achttien. In de cursus krijg je ze allemaal, met de oefenvragen, de memokaarten, onbeperkt proefexamens op de maat van de eindtoets van de KNVB, en als toegift de les over de VAR en wat je verder alleen op tv ziet. Een jaar toegang, direct na je betaling.
Buitenspel: staan mag, meedoen niet. De hele les, gratis.
Dit is les 7 van de 15, precies zoals hij in de cursus staat. Lees hem door, maak de zeven oefenvragen en neem de memokaart mee naar het veld. Gratis, zonder account. Bevalt het? Dan heb je de andere veertien lessen voor 29,95, of vanaf 14,99 per speler samen met je kind of je hele team. Ontvang direct je toegangscode en begin meteen.
Start direct vanaf € 14,99 per speler
Wat je na deze les kunt
- het verschil uitleggen tussen buitenspel staan en strafbaar buitenspel
- op het moment van de pass zien wie er in buitenspelpositie staat
- zeggen wanneer een speler actief betrokken raakt bij het spel
Staan is niet hetzelfde als meedoen
Langs elk veld klinkt dezelfde zin: hij stond buitenspel. Dat kan kloppen, en toch hoeft er niets aan de hand te zijn. De spelregels beginnen het hoofdstuk over buitenspel namelijk met de mededeling dat buitenspel staan op zichzelf geen overtreding is.
Er zijn dus twee dingen, en de hele les draait daarom.
- Buitenspelpositie is een plek op het veld op een bepaald moment. Je staat daar, of niet.
- Strafbaar buitenspel is wat daarna volgt: je raakt vanuit die positie actief betrokken bij het spel. Pas dan fluit de scheidsrechter.
Je kunt dus een hele wedstrijd in buitenspelpositie staan zonder iets fout te doen, en op dezelfde plek wel worden bestraft omdat je meedoet.
Twee voorwaarden tegelijk
Je staat in buitenspelpositie als deze twee dingen allebei gelden.
- Enig deel van je hoofd, lichaam of voeten is op de helft van de tegenpartij. De middenlijn telt daarbij niet mee: met een voet op die lijn ben je nog niet op de andere helft.
- Je bent met enig deel van je hoofd, lichaam of voeten dichter bij de doellijn van de tegenpartij dan de bal, en ook dichter bij die doellijn dan de voorlaatste tegenstander.
Let op dat woordje en. Sta je voorbij de voorlaatste tegenstander maar ligt de bal verder naar voren, dan sta je niet buitenspel. Daarom mag terugleggen altijd.
De voorlaatste tegenstander
Op het veld heet dat de laatste man, maar zo werkt het niet. Je telt vanaf de doellijn van de tegenpartij: de laatste tegenstander, en dan de voorlaatste. Meestal is de doelverdediger de laatste en kijk je naar de laatste veldspeler. Staat hij ver uit zijn doel, dan is hij zelf misschien de voorlaatste; hij telt gewoon mee als tegenstander.
Video van de KNVB: Wel of geen buitenspel van PEC Zwolle? | ARAG KNVB VAR Moment (1:35)
De aanvaller is de doelverdediger al voorbij, maar twee verdedigers staan nog op de doellijn. De VAR kijkt mee: geen buitenspel, want het gaat om de voorlaatste tegenstander, niet om de doelverdediger. Uit 2019; de regel is nog dezelfde.
Handen en armen tellen niet mee
Alleen je hoofd, je lichaam en je voeten tellen. Je handen en armen niet, en dat geldt voor iedereen, ook voor de doelverdedigers.
Gelijk is goed
Sta je gelijk met de voorlaatste tegenstander, dan sta je niet in buitenspelpositie. Gelijk met de laatste twee ook niet. Scheidsrechters hanteren als uitgangspunt dat bij twijfel de aanvaller het voordeel krijgt.

Op de tekening loopt een stippellijn door de voorlaatste tegenstander heen: de buitenspellijn op dat ene moment. De eerste aanvaller staat er precies op, dus geen buitenspelpositie. De tweede steekt er alleen met zijn arm overheen, dus ook niet. De derde is er met schouder en voet overheen, en ook voorbij de bal: wel buitenspelpositie. De vierde staat met een voet op de middenlijn, en dat is nog de eigen helft: geen buitenspelpositie. In de inzet rechts staat de doelverdediger ver uit zijn doel; de aanvaller staat gelijk met de laatste twee tegenstanders en dus niet in buitenspelpositie.
De pass, niet de aanname
Buitenspelpositie beoordeel je op het moment dat een medespeler de bal speelt of raakt. Niet als jij hem aanneemt, en niet als de verdediger zich omdraait. Sprint je vanuit een goede positie langs de verdediging en pak je de bal twintig meter verderop op, dan is er niets aan de hand.
Andersom werkt het net zo. Sta je bij de pass een schouder voorbij de voorlaatste tegenstander en loop je terug om de bal op te halen, dan blijft het buitenspel.
Het eerste contact
Bij het spelen of raken van de bal telt het eerste moment van contact: bij een pass het moment dat de voet de bal raakt. Eén uitzondering: gooit de doelverdediger de bal, dan telt het laatste contact, als de bal zijn hand verlaat.
De misvatting
Veel mensen denken dat je pas buitenspel staat als je de bal voorbij de verdediging aanneemt. In de spelregels staat het anders: alleen het moment van de pass telt. Daarom kijkt de assistent naar de voet van de passer.
Vanuit buitenspelpositie word je alleen bestraft als je actief betrokken raakt bij het spel. Dat kan op drie manieren.
1. Ingrijpen in het spel
Je speelt of raakt de bal die een medespeler speelde: je neemt hem aan, je schiet, je kopt, of je raakt hem per ongeluk met je hak.
2. Een tegenstander beïnvloeden in diens spel
Je raakt de bal niet, maar zit de tegenstander in de weg. De regel noemt vier vormen.
- Je blokkeert duidelijk het gezichtsveld van een tegenstander.
- Je valt een tegenstander aan in de strijd om de bal.
- Je probeert duidelijk een bal in de buurt te spelen, en dat beïnvloedt een tegenstander.
- Je maakt een duidelijke actie die duidelijk invloed heeft op zijn mogelijkheid om de bal te spelen.
Het sleutelwoord bij alle vier is duidelijk: een aanvaller die stil staat, buiten het zicht van de tegenstander, en niet naar de bal gaat, beïnvloedt niemand. Sta je stil in het zicht van de doelverdediger, dan beïnvloed je hem wel.
Video van de KNVB: Richtlijnen arbitrage: Strafbaar buitenspel (0:31)
Een speler staat buitenspel, doet alsof hij de bal kopt en raakt hem niet. Toch wordt het doelpunt afgekeurd: wie een tegenstander beïnvloedt, is strafbaar. Clip van de KNVB uit 2016; de regel geldt nog zo.
3. Voordeel trekken
Je speelt de bal terwijl die via een omweg bij je kwam. Dat is voordeel trekken in twee gevallen. De bal komt terug of verandert van richting door een doelpaal, een doellat, een wedstrijdofficial of een tegenstander. Of een tegenstander heeft de bal bewust gered.
Krijg je de bal van een tegenstander die hem bewust speelde, dan trek je geen voordeel en mag je doorvoetballen. Tenzij het een bewuste redding was.
Wanneer is het bewust gespeeld
Dit is het lastigste stuk van de regel. Bewust spelen betekent dat de tegenstander de bal onder controle had en de keuze had om hem naar een medespeler te spelen, zelf in bezit te nemen of weg te werken. De scheidsrechter weegt daarbij een paar dingen.
- Kwam de bal van een afstand en had de speler er goed zicht op.
- Bewoog de bal niet snel en was zijn richting niet onverwacht.
- Had de speler tijd om zijn lichaam te sturen, dus geen instinctief uitsteken of springen.
- Ging de bal over de grond, want die is makkelijker te spelen dan een bal in de lucht.
En dan de zin waar het meestal misgaat: een actie die onnauwkeurig of mislukt is, blijft bewust spelen. Een verdediger die de bal rustig weg wil koppen en hem verkeerd raakt, heeft hem bewust gespeeld, en het buitenspel is opgeheven.
Wat een redding is
Een redding is dit: een speler houdt een bal tegen die het doel in gaat of daar vlakbij komt, of probeert dat, met een willekeurig lichaamsdeel. Handen en armen tellen niet mee, behalve bij de doelverdediger in zijn strafschopgebied.
Drie situaties die het boek apart noemt
- Je loopt vanuit of in buitenspelpositie in de weg van een tegenstander en beïnvloedt zijn beweging naar de bal. Dat is strafbaar als het invloed heeft op zijn mogelijkheid om de bal te spelen. Blokkeer je hem echt, dan is het geen buitenspel maar een gewone overtreding.
- Je beweegt vanuit buitenspelpositie naar de bal en er wordt een overtreding op jou gemaakt voordat je hem speelt. Dan bestraft de scheidsrechter die overtreding, want die was er eerder.
- Je speelt de bal al of gaat een duel aan om de bal, en dan wordt er een overtreding op jou gemaakt. Dan bestraft hij het buitenspel, want dat was er eerder.
In alle drie de gevallen bepaalt dus de volgorde wat je fluit: wat er het eerst was, telt.
Drie hervattingen zonder buitenspel
Krijg je de bal rechtstreeks uit een doelschop, een inworp of een hoekschop, dan is er geen buitenspel, ook al stond je in buitenspelpositie. Speelt daarna een medespeler de bal, dan kan het weer aan de orde zijn.
De straf
Strafbaar buitenspel levert een indirecte vrije schop op voor de tegenpartij, op de plaats waar de speler actief betrokken raakte. Dat kan ook zijn eigen helft zijn: speel je de bal na een terugloop over de middenlijn, dan ligt de bal daar ook.
Vijf situaties die je herkent
| Wat je ziet | Wat telt | Wat de scheidsrechter beslist |
|---|---|---|
| Anna krijgt de bal van een medespeler die dichter bij het doel stond | de bal was verder naar voren dan Anna | doorspelen, geen buitenspelpositie |
| Bas staat buitenspel, laat de bal lopen; Chris speelt hem uit een goede positie | Bas greep niet in en beïnvloedde niemand | doorspelen |
| Dana staat buitenspel, een schot komt van de paal terug en zij tikt binnen | de bal kwam terug van de doelpaal | indirecte vrije schop waar Dana de bal speelde |
| Anna staat buitenspel; een schot ketst onbedoeld van een verdediger naar haar | de bal veranderde van richting door een tegenstander | indirecte vrije schop waar Anna de bal speelde |
| Bas staat buitenspel; de doelverdediger pareert een schot naar hem toe | dit is een bewuste redding | indirecte vrije schop waar Bas de bal speelde |
Let bij de vierde rij op het verschil met een verdediger die bewust speelt. Ketst de bal onbedoeld van hem af, dan fluit je. Speelt hij hem bewust weg, dan speel je door.

Op de tekening staan de vijf situaties uit de tabel naast elkaar in hetzelfde strafschopgebied. Onder de eerste twee staat doorspelen, onder de laatste drie een indirecte vrije schop. Kun je ze navertellen, dan heb je de kern van deze regel te pakken.
- Als speler: kijk bij de eerstvolgende diepe bal naar je medespeler die de pass geeft, niet naar de verdediger. Vertrek op zijn voet, dan sta je bijna altijd goed.
- Als aanvoerder: hoor je het van de kant weer schallen, zeg dan één zin terug: staan mag, meedoen niet. Dat scheelt de scheidsrechter en je team een hoop gedoe.
- Als ouder langs de lijn: probeer een halve wedstrijd lang de buitenspellijn te volgen zonder te roepen. Je zult merken hoe vaak je de voorlaatste tegenstander verkeerd inschat vanaf de zijkant.
Wie deze regel eenmaal snapt, kijkt anders naar elke aanval, en ziet ook waarom de assistent zijn vlag soms laat zakken.
De vijf dingen die je uit deze les moet onthouden:
- Buitenspel staan mag; actief meedoen geeft een indirecte vrije schop.
- Buitenspelpositie: op de helft van de tegenpartij, voor bal en voorlaatste.
- Gelijk met de voorlaatste is geen buitenspelpositie; armen tellen niet mee.
- Het moment van de pass telt, niet de plek waar jij de bal aanneemt.
- Rechtstreeks uit doelschop, inworp of hoekschop is er geen buitenspel.

Print deze kaart of neem hem mee op je telefoon.
Zeven vragen, direct antwoord
0 van 7 beantwoord
Zo leer je de rest van de regels
2 spelers
2 toegangscodes
€39,95
€ 19,98 per speler
- Direct beginnen
- Een jaar toegang
- Inclusief btw
4 spelers
4 toegangscodes
€59,95
€ 14,99 per speler
- Direct beginnen
- Een jaar toegang
- Inclusief btw
Elk pakket geeft twaalf maanden toegang tot de hele cursus, met één toegangscode per speler, direct na je betaling. De regels in de cursus komen uit KNVB Spelregels veldvoetbal 2026/'27, de Nederlandse uitgave van de spelregels van de IFAB, met de spelregelwijzigingen en de verduidelijkingen van de KNVB. VOETBAL 58 bereidt voor; het spelregelbewijs zelf haal je bij de KNVB. De cursus is gemaakt door Bert van Doorn, opleider van beroep, die met LOKAAL 58 meer dan 10.000 opsporingsambtenaren opleidde via een online leeromgeving zoals deze. Je rekent af bij BRIDGE 58 B.V., het bedrijf achter VOETBAL 58, met iDEAL of een kaart, inclusief btw.